Zeeuw verovert New York in 1673

Header alternatieve tekst

Het jaar 1672 is de geschiedenis ingegaan als het Rampjaar. Frankrijk viel de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan en het kostte grote moeite de Franse troepen te land te verslaan. In de schaduw van dit onheil speelde zich ter zee, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, een bijzondere krijgsdaad af: de verovering van New York in 1673 door de Zeeuw Cornelis Evertsen de Jongste.

Het logboek van de Swaenenburgh, het vlaggenschip van Cornelis Evertsen de Jongste, is bewaard gebleven in het Zeeuws Archief, evenals brieven van de vice-admiraal, het bestuur van New York en de consul van Cadiz. Zeeuws Archief, Verzameling Handschriften Rijksarchief in Zeeland, toegang 33.1, inv.nr 83.

Cornelis Evertsen de Jongste. Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata IV-366

Cornelis Evertsen de Jongste (1642-1706) was vice-admiraal van de Staatse vloot toen hij in 1672 de opdracht kreeg Sint-Helena te veroveren. Het eiland Sint-Helena in de zuidelijke Atlantische Oceaan was in handen van de Engelsen. Vice-admiraal Evertsen diende met zes schepen het eiland in te nemen en de daar verblijvende Engelse Oost-Indiëvaarders te overmeesteren. De Republiek was namelijk in oorlog met Engeland; de Derde Nederlands-Engelse Oorlog zou duren van 1672 tot en met 1674.

Bij aankomst bleek het eiland al door schepen van de Nederlandse Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) te zijn ingenomen. Daarop besloot Evertsen door te varen naar de Caraïben, naar Cayenne, een deel van Guyana in Frans bezit. Deze bestemming was in zijn opdracht als alternatief gegeven. Evertsen vond zijn vloot echter te zwak om Cayenne aan te vallen en besloot zich in de Caraïben aan te sluiten bij een vloot uit Holland, onder het commando van Jacob Benckes, die op weg was naar Virginia.

Schepen kapen op de Hudson rivier

In augustus 1673 bereikten de 21 schepen de rivier de Hudson. In de rivier werden elf schepen overmeesterd en tot ‘prijs’ verklaard. Van Nederlandse boeren kreeg Evertsen informatie over het fort Jems (James) op het eiland Manhattan, dat in slechte staat verkeerde. Besloten werd het fort de volgende dag aan te vallen. Uit naam van de Staten-Generaal werd aan de inwoners van New York een bekendmaking over de op handen zijnde gebeurtenissen verstuurd.

Op de ochtend van 9 augustus 1673 ging een trompetter naar het fort met de eis zich over te geven. ’s Middags kwamen er drie Engelsen aan boord van de Swaenenburgh, het schip van Cornelis Evertsen de Jongste. Het waren Thomas Lovelace, de broer van de gouverneur Francis Lovelace, kapitein John Carr en procureur John Sharpe. Zij waren afgevaardigden van de commandant van het fort, kapitein John Manning.

De opdracht ‘in de tromp van ’t canon’

De drie mannen vroegen Evertsen waar hij vandaan kwam. De vice-admiraal die een heetgebakerd man was en daarom de bijnaam ‘Keesje de duivel’ had, antwoordde dat ze dat wel aan de vlaggen van de schepen konden zien. Vervolgens wilden de Engelsen weten met welke opdracht (commissie) hij zich op de rivier van de Hertog van York had begeven, en vroegen hem om zijn commissiebrief. Evertsen antwoordde “dat die in de tromp van ’t canon stack, gelijc sij welhaest souden gewaer worden, bij aldien het fort niet overleverden”.

Ondertussen keerde de trompetter terug aan boord met het bericht van kapitein Manning dat hij zou antwoordden zodra hij Lovelace, Carr en Sharpe had gesproken. De drie mannen vroegen Evertsen niet aan te vallen voordat ze met Manning konden overleggen. De vice-admiraal stemde toe, op voorwaarde dat zij binnen dertig minuten terug kwamen met het antwoord. Inderdaad keerde Sharpe terug met een bericht van Manning dat luidde dat hij eerst wilde overleggen met burgemeesters en raadsleden van New York.
Wapen van het geslacht Evertsen. Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata III 638

New York wordt Nieuw Orangien

Evertsen vreesde terecht dat de commandant probeerde tijd te rekken om soldaten van elders naar het fort te laten komen. Hij ordonneerde Manning uit naam van de Staten-Generaal binnen een half uur het fort over te leveren. Na weer een half uur te hebben gewacht, opende de oorlogsvloot het vuur en gingen soldaten van de schepen met boten en sloepen aan land. Al gauw werd de vlag op het fort gestreken en ging een witte vlag omhoog. Fort Jems (James) was gevallen en kreeg de naam fort Willem Hendrik. New York werd hernoemd in Nieuw Orangien, de provincie bestaande uit drie eilanden, drie steden en tientallen dorpen, in Nieuw Nederland.

Dankbare inwoners op Manhattan

De inwoners leken zeer verheugd te zijn over de machtsovername. In september 1673 schreven schout, burgemeesters en schepenen van Nieuw Orangien op het eiland Manhattan een lange brief aan de Staten van Zeeland. Het waren schout Anthonij de Mill, burgemeesters Johannes de Peijster, Aegidius Luijk, Johannes van Brugh, en schepenen Willem Beeckman, Jeronimus Ebbinck, Jacob Kip, Laurens van de Spighel en Guilain Verplanck.
Brief bestuur Nieuw Orangien aan de Staten van Zeeland. Zeeuws Archief, Verzameling Handschriften Rijksarchief in Zeeland inv.nr 83

In de brief bedankten de mannen Zeeland uit de grond van hun hart en verzekerden zij het gewestelijk bestuur dat het alleen maar voordelen uit deze overname zou genieten. Zo zouden de “veele particuliere familien die door den ovevall der francen sijn geruineert, sigh hier te lande seer gemackelijck sullen connen erneren”; inwoners van de Republiek die door de inval van de Fransen hun bezittingen waren kwijtgeraakt, zouden in New York gemakkelijk in hun onderhoud kunnen voorzien.

Voordelen voor Zeeland

Nieuw Orangien, zo betoogden de bestuurders van de stad, zou wel eens ‘een koorenscheur & magesijn van veele nootsaeklijckheden’ van Zeeland kunnen worden. De Zeeuwse bezittingen Suriname & Curaçao zouden voortaan vanuit Nieuw Orangien kunnen worden voorzien van levensmiddelen.
Brief bestuur Nieuw Orangien aan de Staten van Zeeland. Zeeuws Archief, Verzameling Handschriften Rijksarchief in Zeeland inv.nr 83

Daarnaast prijsden de bestuurders de stad aan als de locatie om in tijden van oorlog gekaapte schepen te verkopen en voor oorlogsschepen om proviand in te nemen.
Bovendien was Nieuw Orangien geschikt om de Engelsen in het oog te houden. Want als de koning van Engeland alleenheerser ‘van dit noorder gedeelte van America’ zou worden, dan zou hij ‘buijten weten van eenig prins off potentaet in Europa alhier eenige scheepen equiperen & soo op ’t onverwagst, onsen staet of haere bontgenooten overvallen’.
Verder bood de stad kansen voor de handel. Bijvoorbeeld voor ‘den bever & pelterij handell tot onderhoudinge van de negotie in Muscovien’ of de tabakshandel.
Nieuw Amsterdam ofte nue Nieuw Iorx opt't Eylant Man, anoniem, circa 1660. Rijksmuseum NG-28

Dringend beroep op Zeeland

Echter het nieuw veroverde bezit dat Zeeland zoveel voordelen bood, moest wel worden verdedigd tegen invallen van de Engelsen en of de Fransen. Hulp was dringend nodig voor ‘de goede ingezetenen van de Duijtse natie’ die in de brief werden geschat op zevenduizend inwoners inclusief vrouwen en kinderen. Zeeland werd verzocht mensen en middelen te leveren om het bezit te verdedigen. Een begroting hiertoe werd graag toegestuurd.

Met deze brief en boodschap werd inwoner Cornelis van Ruijven – ‘dewelke hier te lande verschijde aansienlijke ampten heeft bekleed’– in september 1673 naar de Republiek gestuurd. Van Ruijven kwam echter niet ver. Zijn schip raakte in zwaar weer verzeild en werd vervolgens gekaapt en opgebracht in Nieuw Engeland.
Toen dit nieuws schout, burgemeesters en schepenen bereikte, klommen deze onmiddellijk opnieuw in de pen. Zij schreven hun eerste brief over en voegden op hetzelfde papier een nieuwe brief toe. In deze tweede brief, gedateerd 10 januari 1674, werd nogmaals een dringend beroep gedaan op het gewestelijk bestuur van Zeeland.

Zeeland wil van New Orangien af

Het nieuws van de verovering van New York had ondertussen al de Republiek bereikt. In oktober 1673 kwam het binnen bij de admiraliteit van Amsterdam, vervolgens bij de Staten-Generaal en 9 november werd in de vergadering van de Staten van Zeeland verslag gedaan.

Zeeland was niet gelukkig met het nieuwe bezit. Het dure rampjaar was nog maar net achter de rug en dan was er nog die andere kostbare verovering: Suriname was in 1667 voor Zeeland overmeesterd door de Zeeuw Abraham Crijnssen, maar in plaats van winst had de kolonie alleen maar handen vol geld gekost.

Cornelis Evertsen, luitenant-admiraal van Zeeland, door Nicolaes Maes, 1680. Rijksmuseum SK-A-1662

In de verovering van New York hadden de admiraliteit van Amsterdam en de admiraliteit van Zeeland beide een aandeel. De Staten-Generaal zag het bestuur van Nieuw Nederland liever in Amsterdamse handen.

In januari 1674 stuurden de Staten van Zeeland een afvaardiging naar Holland om erachter te komen of Amsterdam het bestuur inderdaad opeiste. In dat geval diende de afvaardiging te laten weten dat Zeeland genegen was zijn aandeel met de lasten en baten met enige winst aan Amsterdam over te doen. Als Amsterdam het bestuur wenste te delen, dan moesten de afgevaardigden aandringen op terugtrekking uit Nieuw Nederland. Ook hield Zeeland met een derde mogelijkheid rekening: wanneer enige inwoners van Amsterdam New York wilden overnemen, dan werkte het gewest hier graag aan mee.

Nieuw Orangien wordt weer New York

Toen Cornelis Evertsen de Jongste in juli 1674 terugkeerde in Zeeland werd hij niet met open armen ontvangen. Hem werd verweten dat hij zich niet aan de opdracht – de verovering van Sint-Helena en of Cayenne – had gehouden. Verder had hij nooit de opbrengsten van de onderweg en in de Hudson rivier gekaapte schepen met de Hollanders mogen delen.

New York of Nieuw Orangien was toen alweer in Engelse handen overgegaan. Het werd bij de beëindiging van de Derde Engels-Nederlandse Oorlog in het Verdrag van Westminster in februari 1674 aan Engeland overgedragen.

Detail uit het cartouche, met de vermelding van de datum waarop de Republiek in 1673 de provincie opeiste

Van de memorabele gebeurtenissen in 1673 werd melding gemaakt in het cartouche van een kaart uitgegeven in 1674 door Hugo Allard: Allard -Totius Neobelgii Nova et Accuratissima Tabula. (Licensed under Public domain via Wikimedia Commons.)

beschrijving

Meer lezen
C. de Waard, “De Zeeuwsche expeditie naar de West onder Cornelis Evertsen den Jonge (1672-1674)”. Werken uitgegeven door de Linschoten-vereeniging ('s-Gravenhage 1928)

Bookmark and Share

New York & Nederland

1609

Henry Hudson ontdekte in 1609 het gebied dat nu New York Bay wordt genoemd. Hudson maakte de reis in dienst van de VOC met de opdracht een noordelijke doorgang naar China te ontdekken. Er volgden drie expedities, waarna tussen 1614 en 1618 de Compagnie van Nieuw-Nederland op het gebied handelde.

1624

De eerste kolonisten vestigden zich in 1624. Zij kwamen met het door de WIC gehuurde schip Nieuw Nederland aan. De provincie Nieuw-Nederland werd gesticht op gezag van de Staten Generaal en kwam onder bestuur van de WIC. De kolonisten bouwden op het eiland Manhattan het Fort Amsterdam. Nieuw-Amsterdam kreeg stadsrechten in 1653.

1664

De Engelsen veroverden 24 september 1664 Nieuw-Amsterdam. Zij gaven de stad de naam New York naar de Hertog van York. Na de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667) werd bij de Vrede van Breda vastgelegd dat Nieuw-Amsterdam Engels bezit bleef.

1673

Vice-admiraal Cornelis Evertsen de Jongste veroverde Nieuw-Amsterdam in 1673 tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog. De stad kreeg de naam Nieuw-Oranje, aangezien Willem III van Oranje in 1672 was benoemd tot stadhouder.

Brief bestuur Nieuw-Oranje / New York. Zeeuws Archief, Verzameling Handschriften Rijksarchief in Zeeland, toegang 33.1, inv.nr 83

Brieven van schout, burgemeesters en schepenen van Nieuw Orangien (Nieuw-Oranje oftewel New York) aan de Staten van Zeeland, gedateerd 8 september 1673 en 10 januari 1674.

Uit het archief