Marinekorps Flandern 1914-1918

Het Marinekorps Flandern heeft bestaan zo lang de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) duurde. Het korps was onderdeel van het Duitse keizerlijke strijdkrachten en was gelegerd aan de Vlaamse kust, van de Nederlandse grens tot aan de rivier de IJzer. Soldaten van Marinekorps Flandern vochten niet alleen ter zee, maar ook te land en in de lucht.

De foto’s op deze webpagina zijn afkomstig uit de verzameling van notaris Arend Mijs (1866-1934), viceconsul van België in Oostburg. De foto’s zijn online te bekijken in de archiefinventaris Verzameling A. Mijs, toegang 643.

Het plan om een marine-afdeling naar de Vlaamse kust in België te sturen, kwam van de Duitse staatssecretaris Von Tirpitz. Het ging merendeels om ‘overgebleven’ manschappen, zoals reservisten. Hij had de afdeling een defensieve rol toebedacht, geen offensieve.
De oprichting gebeurde op 23 augustus 1914. De leiding kwam in handen van admiraal Ludwig von Schröder, een 60-jarige veteraan die eigenlijk met pensioen was gegaan. Von Schröder had zijn eigen ideeën over de rol van de marine in Vlaanderen en ging voortvarend aan de slag. Hij claimde onmiddellijk de steden Brugge en Zeebrugge als uitvalsbases.

Naar de Vlaamse kust

De marineafdeling bestond bij de oprichting uit meer dan 10.000 mannen van verschillende onderdelen uit Kiel en Wilhelmshaven. Alvorens te vechten aan de Vlaamse kust, vochten de zeesoldaten mee in de strijd om Leuven, Antwerpen en Mechelen. Daarna werden Brugge, Zeebrugge en Oostende ingenomen.
Het Duitse leger werden tot staan gebracht bij de rivier de IJzer, waar de geallieerden dichtbij de kust een smalle strook land ten noorden van de IJzer bezetten. Overigens zouden de zeesoldaten ook later in de oorlog strijden op ver van de kust gelegen slagvelden.

Samenvoeging marinedivisies

De Duitse zeesoldaten troffen aan de Vlaamse kust een intacte infrastructuur aan met kanalen, bruggen, sluizen en havens. Meteen werd werk gemaakt van kustbatterijen, ter verdediging tegen aanvallers vanaf zee.
Nadat de algehele Duitse opmars in België verzandde in de loopgravenoorlog kreeg de versterking van de kuststrook en uitbreiding van de infrastructuur met dokken en andere havenwerken in handen van de marine-afdeling meer aandacht.
In november 1914 werd de marine-afdeling met een tweede samengevoegd tot het Marinekorps Flandern. Een derde afdeling, onder andere bestaande uit huzaren en veldartillerie, werd 1 juni 1917 toegevoegd.
Legerleiding Marinekorps Flandern te Brugge. Vooraan in het midden Von Hindenburg en rechts naast hem Von Schröder. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2 nr 18

Legerleiding Marinekorps Flandern te Brugge. Vooraan in het midden Von Hindenburg en rechts naast hem Von Schröder. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2-18.

Hoofdkwartier

Het Marinekorps Flandern was verantwoordelijk voor een circa 60-kilometer lange kuststrook vanaf de Nederlandse grens tot aan de monding van de IJzer. Ongeveer in het midden daarvan lag 12 kilometer landinwaarts de stad Brugge. Brugge is met kanalen verbonden met Zeebrugge en Oostende aan de Noordzee. In Brugge kwam het commandocentrum en vanaf het voorjaar 1917 ook de belangrijkste werf.
De ligging was van strategisch belang; dichtbij het Kanaal en Groot-Brittannië en de monding van de Thames.

Uitbreiding materieel

De havens en kanalen waren door hun gebrek aan diepte alleen geschikt voor kleinere torpedoboten en onderzeeboten. Ondersteuning vanuit de lucht was voor het functioneren van het zee-onderdeel onmisbaar. Dat gold ook voor de kustbatterijen, die nadat de geallieerden vaker gingen gebruikmaken van rookgordijnen, hun geschut afstelden naar aanwijzingen van piloten. Nieuw hierbij was het gebruik van radio, de draadloze verbinding tussen een zender en een ontvanger.

De slagkracht op zee nam toe nadat 2 maart 1916 drie torpedobootjagers aan het marinekorps werden toegevoegd. Het doel was zoveel mogelijk vijandelijke vrachtruimte uit te schakelen en zo Groot-Brittannië uit te hongeren. Het werkgebied bestond uit de Engelse oostkust, Het Kanaal, de Franse westkust, de golf van Biskaje en het zuidelijke deel van de Ierse zee. Dit gebied was verdeeld in kwadranten, die elk aan een onderzeeboot werd toegewezen.

In het voorjaar van 1915 had Duitsland een onbeperkte duikbootoorlog gevoerd; alle geallieerde schepen, ook koopvaardij- en passagiersschepen, werden aangevallen. Duitsland stopte ermee uit vrees voor Amerikaanse deelname aan de oorlog. Op 1 februari 1917 kondigde Duitsland echter opnieuw een onbeperkte zeebootoorlog af.

Mascotte Marinekorps Flandern. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2-87

Aap als mascotte

De mascotte van het marinekorps was een aap. Er bestaat een foto van een aap gekleed in een jasje, onderdeel van het Duitse paradeuniform en ook wel ‘affenjacke’ genoemd en een matrozenmuts met het opschrift ‘torpedo’. Naast deze foto bevat de collectie van Arend Mijs twee foto’s waarop een zeesoldaat poseert met een pluchen aapje. In het Marinekasino in Brugge, de uitgaansgelegenheid voor de militairen, waren de wanden versierd met schilderingen. Op enkele daarvan zijn apen afgebeeld. De apen drinken champagne.

De latere glossy-fotograaf Erwin Blumenfeld (1897-1969) beschreef in zijn autobiografie zijn diensttijd in het Duitse leger ten tijde van WOI. Voor een korte periode werd hij gedetacheerd bij een Gemotoriseerde Kolonne, die werd ingekwartierd in Brugge. Zijn kolonne hield zich onder haar leider bezig met straatroof en zwarte handel. Goederenwagons geladen met levensmiddelen werden ’s nachts opengebroken, de inhoud deels opgegeten en deels doorverkocht. Wanneer hij halfslachtig besluit te deserteren naar Nederland en in de trein naar de grens met een onderofficier van de militaire politie in gesprek raakt, zegt deze hem dat de zwarte handel verloopt via de centrale in Sas van Gent, “ Ik hoef jou niks te vertellen over die reuzenzaken: die kolonne van jou heet niet voor niets de champagnekolonne, de dievenbende!” [1]

Ook de naam van een deel van de verdedigingslinie aan de kust verwees vermoedelijk naar de mascotte. De hoge duinenstelling bij Lombardsijde heette ‘Affenberg’.

Duikboot voor de kust bij Zeebrugge. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2-187

Op zee

De duikboten van het Marinekorps Flandern werden geduchte vijanden van de geallieerde schepen. Het aantal Duitse duikboten nam tijdens de oorlog toe. De eerste onderzeeboot in de haven van Zeebrugge arriveerde in november 1914. In maart 1915 volgde de oprichting van de U-Bootflotille Flandern. Het flotille werd in oktober 1917 in twee afdelingen gesplitst. Beiden brachten tijdens de oorlog 2554 schepen tot zinken. Tachtig onderzeeboten gingen daarbij verloren, inclusief 145 officieren en meer dan 1000 bemanningsleden.

De eerste onderzeeboten konden niet erg lang onder de oppervlakte verblijven. Verder beschikten de eerste duikboten over een beperkt aantal torpedo’s. Er waren verschillende typen onderzeeërs; sommige konden zowel torpedo’s afvuren als zeemijnen leggen, anderen alleen torpedo’s afvuren.

Aanvankelijk werden geallieerde koopvaardij- en passagiersschepen niet altijd getorpedeerd. De Duitse duikboot probeerde aan de oppervlakte varend, met vlagsignalen de schepen tot stoppen te brengen. Daarna kreeg de bemanning van een geallieerd schip de kans in de sloepen te stappen. Bemanningsleden van de duikboot brachten een brandbare lading en of een explosief aan boord, waarna het schip tot zinken werd gebracht. De drenkelingen in de sloep(en) werden op sleeptouw genomen en richting wal gesleept, of naar vissersschepen in de omgeving.

De Britten reageerden hierop door kleine vissersschepen uit te rusten met geschut. Was een onderzeeboot dichtbij genoeg dan werd het vuur geopend. De Duitsers veranderden daarop van tactiek en vielen voortaan ook vissers- en andere kleine schepen aan.

Torpedoboten en destroyers

Het Torpedobootflotille Flandern werd in april 1915 opgericht. Het flotille had een reeks van taken: ondersteund door watervliegtuigen vijandelijke invasies afslaan, bescherming bieden tegen mijnenleggers, bemanningen van neergestorte vliegtuigen redden en ondersteuning van aanvallen tegen de vijandelijke kustbatterijen aan de Engelse en de Franse kust.
Eind 1916 werd een Halbflotille van torpedobootjagers (destroyers of zerstörers) opgericht, bestaande uit drie schepen. Later volgde een tweede Halbflotille. De torpedobootjagers dienden de voor onderzeeboten levensgevaarlijke mijnenvelden en onderzeebootnetten onschadelijk te maken.
Voor het opsporen en onschadelijk maken van vijandelijke mijnen was een speciaal Halbflotille opgericht, dat bestond uit een grote variëteit aan vaartuigen, zoals visserschepen en oudere torpedoboten.
Bron: Wikipedia [http://de.wikipedia.org/wiki/Marinekorps_Flandern]

De gouden horloges van Charles Fryatt

Duizenden schepen en bemanningen gingen in de Eerste Wereldoorlog verloren. Beroemd is het tot zinken brengen van de Amerikaanse oceaanstomer Lusitania in 1915. Bijna 1200 opvarenden verloren daarbij het leven. Nu minder bekend, maar tijdens en direct na de oorlog berucht is het schip S.S. Brussels en haar kapitein Charles Fryatt.

Charles Fryatt (1872-1916) was kapitein van passagiersschepen van onder andere de Great Central Railway. De schepen onderhielden lijndiensten tussen Engeland en Nederland.
Hij was kapitein van S.S. Wrexham toen het schip 3 maart 1915 werd gepraaid door een Duitse onderzeeboot. Fryatt wachtte niet af maar liet onmiddellijk de ketels opstoken. Met uitgebrande schoorstenen liep de Wrexham de haven van Rotterdam binnen. Voor deze heldendaad kreeg Charles Fryatt een gouden horloge met inscriptie van zijn werkgever.
Een volgend gouden horloge verdiende Fryatt later die maand. Hij voer als kapitein op het passagiersschip S.S. Brussels toen hij op 28 maart 1915 werd genaderd door een Duitse duikboot die aan de oppervlakte voer. De onderzeeboot U-33 gaf met vlagsignalen het bevel te stoppen. Dat gebeurde dichtbij het lichtschip van de Maas. Aangezien de onderzeeër te dichtbij was om er vandoor te gaan, gaf Fryatt het commando volle kracht vooruit in een poging de U-33 te rammen. De onderzeeboot kon echter nog net op tijd duiken. Dit keer ontving Fryatt een gouden horloge van de Britse admiraliteit.

Opgebracht naar Brugge

Een jaar later kregen de Duitsers kapitein Charles Fryatt wel te pakken. Zijn schip, S.S. Brussels, had 25 juni 1916 Hoek van Holland verlaten met als bestemming Harwich. Een passagier zou een lichtsignaal hebben gegeven en ook aan land werden lichtsignalen gezien. Vijf Duitse torpedojagers omsingelden het passagiersschip. Het schip werd opgebracht naar Zeebrugge en daarna Brugge. De bemanning werd per trein naar het interneringskamp Ruhleben in Duitsland getransporteerd. Enige dagen later besefte de legerleiding wie zij gevangen hadden genomen: de man die had geprobeerd hun U-33 tot zinken te brengen. Fryatt werd teruggebracht naar Brugge en daar, na een korte krijgsraad op 27 juli 1916 nog dezelfde dag geëxecuteerd.
S.S. Brussels opgebracht te Brugge. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2-63
In een publieke notificatie verklaarde admiraal Von Schröder, commandant van het Marinekorps Flandern, dat hoewel Charles Fryatt geen militair in dienst van de geallieerden was, hij toch geëxecuteerd was omdat hij geprobeerd had een Duitse duikboot tot zinken te brengen.
Internationaal veroorzaakte de executie een storm van protest. Tot op de dag van vandaag is de zaak omstreden. Had Charles Fryatt ter dood gebracht mogen worden?
Er is een foto van kapitein Fryatt gemaakt, nadat hij met zijn schip S.S. Brussels was opgebracht in Brugge. Op de foto staat hij aan dek achter de loopplank. Aan boord zijn twee vrouwen, Belgische passagiers, en een Duitse bewapende matroos te zien.

In de lucht

Het Marinekorps Flandern werd eind 1914 uitgebreid met een Seeflugstation in Zeebrugge, later gevolgd met het Seeflugstation in Oostende. In 1915 volgden twee Marine-Landfliegerabteilungen, later Marine-Feldflieger genoemd.
Voor het groeiende aantal vliegers werden verschillende vliegvelden aangelegd achter de Vlaamse kust.

De vliegtuigen voerden verschillende taken uit; verkenning, verdediging van de eigen vloot en de aanval op vijandelijke vaartuigen en bombardementen op Engeland. Verkenningen en bombardementen werden ook uitgevoerd met luchtschepen.

De geallieerden voerden hun aanvallen op het Marinekorps Flandern uit via Zeeuws-Vlaanderen. De aanvliegroutes lagen boven Westelijk-Zeeuws-Vlaanderen. Luchtgevechten speelden zich meer dan eens af boven Nederlands grondgebied en in de regio Cadzand stortte menig vliegtuig neer.
Vliegveld van het Marinekorps Flandern. Verzameling A. Mijs, inv.nr 2-40

Slag aan de Somme, 1916

Militairen van het Marinekorps Flandern vochten mee in de Slag aan de Somme in 1916. De geallieerden vielen 25 juni 1916 de Duitse loopgraven bij de rivier de Somme, 100 kilometer ten noorden van Parijs aan, ongeveer in de driehoek van de Franse steden, Albert, Bapaume en Péronne. De bedoeling – een doorbraak forceren in de statische loopgravenoorlog – mislukte faliekant. Ondanks torenhoge verliezen bleven de Britten aanvallen uitvoeren. Voor het eerst werden tanks ingezet, door de geallieerden. Pas op 18 november 1916 werden de aanvallen gestaakt. Vele mensenlevens gingen verloren: 420.000 militairen uit het Verenigd Koninkrijk, 200.000 Franse soldaten en 450.000 Duitsers. [2]

Geallieerde aanvallen op de Vlaamse kust

De door de Marinekorps Flandern bezette Vlaamse kust was van groot strategisch belang. Het lag dichtbij Het Kanaal en Groot-Brittannië. Gedurende de oorlog voerden de geallieerde strijdkrachten aanvallen uit op het gebied.

Operaties Hush en Strandfest

De Britten wilden in juli-augustus 1917 een amfibische landing uitvoeren. Voorafgaand werden beschietingen vanuit Nieuwpoort en vanaf de rivier de IJzer gepland. Deze operatie Hush kende een lange planning en vele besprekingen tussen de geallieerde legers. Bij voorbereidingen vielen echter in juni 1917 elf Britse soldaten in Duitse handen. De Duitsers roken onraad en ontwikkelden een tegenaanval: Unternehmen Strandfest.
Vanaf Lombardsijde werd 10 juli 1917 de aanval ingezet op de smalle strook land aan de oostelijke oever van IJzer. Daarbij voerden Duitse vliegtuigen bombardementen uit, en als het weer het toegelaten had, zouden torpedoboten vanaf zee dekkingsvuur hebben gegeven. Inderdaad lukte het de Duitsers de Engelse loopgraven aan de IJzer te veroveren. Honderden Duitse soldaten werden krijgsgevangen genomen en naar Brugge en Oostende

Modderig slagveld, plaats en datum onbekend. Verzameling A. Mijs, inv.nr 3-111

Derde slag bij Ieper – Flandernschlacht

Bij de Derde Slag bij Ieper of de Slag bij Passchendaele (voor de Duitsers: de Flandernschlacht), van 31 juli t/m 11 november 1917, probeerden de geallieerden Oostende en Zeebrugge vanaf landszijde te heroveren. De voorafgaande beschieting veranderde het slagveld in een modderpoel. De slag duurde honderd dagen en de verliezen liepen op tot 500.000 doden, gewonden en vermisten. Het door de geallieerden veroverde terrein van acht kilometer was strategisch onbruikbaar.

Aanval op Zeebrugge en Oostende 1918

De aanval van 23 april 1918 op Zeebrugge en Oostende had als doel de Duitse havens te blokkeren en ongeschikt te maken voor duikboten en andere oorlogsschepen. Een eerdere aanval in april werd wegens slecht weer afgeblazen. Daarbij was een Engelse motorschip in Duitse handen gevallen, inclusief plannen van de aanval. De Duitsers waren dus voorbereid.
De aanval begon 23 april vanuit Dover, Duinkerken en het Zwin. Kort voor middernacht begon een afleidingsmanoeuvre. Er werden rookgordijnen opgetrokken, waarna de HMS Vindictive en twee andere schepen de havendam van Zeebrugge aanvielen. Het lukte de Britten een met explosieven volgeladen duikboot tegen de havendam te laten ontploffen. Daarna draaide de wind en blies het rookgordijn weg, waardoor de Duitse militairen gericht op de Britse mariniers konden schieten.

Terwijl de Duitse tegenaanval zich op deze aanval concentreerde, brachten de Britten enkele schepen gevuld met cement tot zinken voor de sluisdeur. De drie schepen uit 1890, de Thetis, Intrepid en Iphigenia, waren geladen met beton. De bedoeling was om ze in de vaargeul tot zinken te brengen en zo die havengeul te blokkeren. Na de mislukte aanval op de golfbreker kwamen de drie schepen onder zwaar Duits vuur te liggen. De Thetis bereikte niet de vaargeul maar liep op een zandbank en werd te vroeg tot zinken gebracht. De twee andere schepen bereikten wel het kanaal, maar zonken niet op de juiste plaats.

De aanval op de haven van Oostende die tegelijkertijd plaatsvond was ook een mislukking. Ook een tweede aanval op Oostende in mei mislukte. Hierbij zonk de HMS Vindictive op een zandbank buiten de haven van Oostende.
Duitse duikboten konden nog altijd vanuit Brugge naar Zeebrugge of Oostende de zee op, totdat in oktober 1918 de Britse landmacht het terrein veroverde.

De foto’s op deze webpagina zijn afkomstig uit de verzameling van notaris Arend Mijs (1866-1934), viceconsul van België in Oostburg. De foto’s zijn online te bekijken in de archiefinventaris Verzameling A. Mijs, toegang 643.

Noten
[1] Blumenfeld, E., 'Spiegelbeeld’ (De Harmonie 1980), p.241
[2] Bron: Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_aan_de_Somme
[3] Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aanval_op_de_haven_van_Zeebrugge

Bookmark and Share