Brazielhout, geitenhuid en vakmanschap

Header alternatieve tekst

In 2001 werd een unieke restauratiecampagne gestart in het kader van de tentoonstelling ‘Eerst ghedruckt 250 placcaten’. Gedurende de tentoonstelling was een door De Ammoniet te Leiden met de hand gezet en gedrukt Placcaet ter restauratie te koop. De opbrengst van de verkochte exemplaren was bestemd voor de restauratie van een kostbare 17de eeuwse registerband uit het archief van de Staten van Zeeland. Tijdens de restauratie deed de restaurator verrassende ontdekkingen over de rode kleurstof die gebruikt is voor de band.

In het archief van de Staten van Zeeland en hun gecommitteerde Raden (1574 (1578) – 1795 (1799) bevinden zich zes bijzondere registerbanden. Deze met een rode verfstof gekleurde banden zijn zwaar beschadigd. Besloten is de meest beschadigde band, inventarisnummer 39 (notulen van de Staten van Zeeland, 1653), te laten restaureren.

Boekband Staten van Zeeland inv.nr 39 - foto ZA De restauratie werd uitgevoerd door Boek- en Papierrestauratie Marijn de Valk te Middelburg. Marijn de Valk heeft een restauratieverslag gemaakt en legde het verloop van de restauratie vast op foto’s.

Verloop van de restauratie

Na bestudering van de kleur, de bindwijze en de oude reparaties, werd de band voorzichtig gedemonteerd. Band en boekblok zijn van elkaar gescheiden en werden apart van elkaar geconserveerd.

Het boekblok van papier was vuil door het gebruik en door stof dat in de loop der tijd tussen de bladzijden gekropen is. Elke bladzijde is drooggereinigd met een speciaal sponsje dat vuil absorbeert en een zachte borstel. Kleine scheurtjes en ontbrekende delen in de bladzijden werden gerepareerd met getint Japans papier. Het is opvallend hoe weinig schade het boekblok heeft opgelopen in 350 jaar. Dit type band beschermt zijn inhoud bijna perfect. De band heeft alle klappen opgevangen.

De band is van karton met een bekleding van leer dat gelooid is met aluin. Ook de band werd drooggereinigd en vuil werd verwijderd met een speciaal voor witgelooid leer ontwikkeld schoonmaakmiddel. Omdat het leer in de loop der tijd uitgedroogd was, werd de band hierna gedurende vier dagen geconditioneerd in een ruimte met een relatieve luchtvochtigheid van 75 %.

Staten van Zeeland inv.nr 39 - Detail inzet De volgende fase was het instukken van de ontbrekende delen. Dit is met nieuw restauratiegeitenleer gebeurd. Er is lang nagedacht over de kleur van de nieuw toegevoegde delen. Brazielhout is niet lichtecht en het rood van de registerband is niet meer zo intens is als in 1653 toen de band werd gemaakt. Bovendien is het leer op de rug meer verkleurd dan op de platten, terwijl het op de scharnierpunten zelfs wit is afgesleten. Daarom is gekozen voor een wat grauwe basiskleur, die het meest één geheel vormt met alle verschillende tinten in de band.

Na het instukken van twee grote ontbrekende delen, en het vastzetten van vele kleine losse deeltjes, zijn de drie riemen over de rug op een nieuwe basis gelijmd. Hierdoor zijn ze weer sterk, maar houden ze hun originele uiterlijk.
Tot slot is het boekblok in de band gezet met behulp van ‘strengels’. Dit zijn zeer sterke strookjes gedraaid perkament, die de verbinding vormen tussen het boekblok en de band.

Verfstoffen voor rode boekbanden van aluingelooid leer

Wit aluingelooid leer is gelooid met behulp van aluminiumkaliumsulfaat (aluin), al of niet met toevoegingen van andere mineralen. Het is wit of lichtgeel/grauw van kleur. Vaak is het gemaakt van varkenshuid, maar ook andere huidsoorten werden gebruikt, zoals de geitenhuid voor het leer van inventarisnummer 39 van de Staten van Zeeland. Aluingelooid leer wordt nu bijna niet meer gemaakt. In de Middeleeuwen werd het vaak ongekleurd gebruikt, maar vanaf de 16de eeuw zien we steeds vaker gekleurde aluingelooide leren banden.

De meest voorkomende kleur is rood, zoals bij de gerestaureerde band uit 1653. Hierbij moet worden vermeld dat het bijna altijd om eenvoudige, stevige banden gaat die dagelijks gebruikt werden. Dit geldt ook voor de gerestaureerd registerband. Dit is een heel ander soort rood dan van de rijk versierde banden in rood marokijnleer, dat je in oude bibliotheken nog wel eens ziet. Rood aluingelooid leer wordt nooit verguld.

Ontdekking van de gebruikte kleurstof

Aanvankelijk werd gedacht aan meekrap als kleurstof. Dit is een wortel die veel in Zeeland werd geteeld en een rode kleur oplevert. Een stukje leer is geanalyseerd door het Centraal Laboratorium in Amsterdam, maar dat sloot meekrap uit. Wel werd karmijnzuur aangetoond. Dit zou wijzen op het gebruik van de rood-paarse kleurstof cochenille. Maar cochenille (ook wel kermes of karmozijn genoemd) is een exclusieve en dure verfsoort, bereid uit ontelbare, minuscule schildluizen. Het is vreemd dat een zo kostbare kleurstof gebruikt zou zijn voor een boekband voor dagelijks gebruik.

Staten van Zeeland, inv.nr 39 - detail sluiting Uit literatuuronderzoek bleek dat meekrap, cochenille en stoklak allemaal incidenteel wel gebruikt werden voor het rood kleuren van leer, maar dat in de meeste recepten gesproken wordt van ‘roothout’, ook Brazielhout of Fernambuk genoemd. Ook mengsels van stoklak en Brazielhout komen voor. Proeven met Brazielhout gaven exact de kleur die we zien bij de gerestaureerd band.

Het verven met Brazielhout is probleemloos en de kleur is heel intens. Bovendien is de kleurstof heden ten dage veertien keer goedkoper dan cochenille en dat zal in de zeventiende eeuw vermoedelijk niet anders geweest zijn. Een nadeel van deze plantaardige verfstof is dat de kleur absoluut niet lichtecht is. Het verschieten van het rood naar rood-bruin is het belangrijkste kenmerk waaraan Brazielhout herkend kan worden en de afbraakproducten zijn ook chemisch aan te tonen.

Brazielhout

Brazielhout is een algemene term voor de kleurstof die gemaakt wordt uit het hout van bomen van de familie Caesalpinia Echinata en was al heel vroeg bekend in Europa. Voor de ontdekking van Zuid-Amerika werd het ‘roothout’ al vanaf de twaalfde eeuw geïmporteerd, over de zijdenroute, uit Ceylon in Oost-Azië. Omdat het zo goedkoop was in vergelijking tot cochenille, was het gebruik wijd verbreid. Brasil is het Portugeese woord voor ‘rood’. In het begin van de zestiende eeuw werd een zelfde soort hout ontdekt in wat nu Brazilië heet. Het kleurende component is brazilein. Behalve puur werd Brazielhout ook veel gebruikt bij de nuancering van andere kleurstoffen.

Na het verwijderen van de schors wordt het kernhout geraspt. Leer kan in een vat met Brazielhout in water gedompeld worden, maar er kan ook een soort lak worden gemaakt door middel van extractie, die dan Venetiaanse lak, kogellak of Florentijnse lak heet. Het leuke van Brazielhout is dat wanneer aluin als beits wordt gebruikt tijdens het verven, de kleur roder wordt, terwijl wanneer potas wordt gebruikt, de kleur meer naar het paars gaat. Aluingelooid leer zal dus altijd een meer intens rode tint hebben.

Het tuchthuis of rasp- en spinhuis in Middelburg

Brazielhout raspen was in de zeventiende eeuw een taak van gevangenen. In Middelburg werd korte tijd Brazielhout geraspt in het tuchthuis of rasp- en spinhuis. Tuchthuis Middelburg - ZA, KZGW, inv.nr ZI-II-0429 In de zeventiende eeuw liet de Middelburgse stadsregering een tuchthuis bouwen. Daartoe werden twee grote pakhuizen bij de nieuwe stadsschuur op het eind van de Kousteensedijk verbouwd tot rasphuis en de oude stadssmidse aldaar tot spinhuis om “ten spoedigste een rosmolen daarin te plaatsen tot tuchtiging der kwaaddoeners en vagebonden”, en een gedeelte daarvan te bestemmen “voor ledige en ongeregelde vrouwen om haar daar te doen spinnen”. Het tuchthuis was klaar in 1643. Blijkbaar vielen de kosten tegen, want de stadsregering maande de burgers van de stad aan om dat jaar een driemaandelijkse contributie te betalen ten behoeve van het tuchthuis “dat opgerigt was tot wering van alle bedelaars en vagebonden en dat strekken zoude tot groote verligting van de gemeene ingezetenen”. Het jaar daarop werd een grote lening afgesloten om de schulden te dekken.

De dwangwerkzaamheden in het tuchthuis bestonden voor mannelijke gevangenen aanvankelijk uit het raspen van hout, vandaar de naam Rasphuis. Smallegange schrijft er in zijn Cronyk van Zeeland (Middelburg 1696) het volgende over:

“In het Tuchthuis werd het geboefte alle gesloten gehouden, de sommige ook geboeit, alsoo nochtans, dat sy onverhindert konnen werken, en de handen gebruiken. Want eenige moeten Brasilie hout tot pulver zagen, sommige in een trapmolen gaen, om koorn te malen, of weven, ook andere dingen doen en bearbeiden, na eens yegelijks begrijp en macht.”

Rasphuis Twee gevangenen werkten met een meerbladige grote rasp met aan ieder uiteinde een handgreep. Daarmee moesten ze blokken hout tot poeder raspen. De gevangenen moesten per dag een bepaald aantal houtblokken raspen. De blokken waren afkomstig van kleurstof houdende bomen. In Middelburg werd roodhout of Braziel (naar het Portugese en Spaanse woord ‘brasil’ voor rood) geraspt. Dit is een zeer harde, sterke houtsoort, met een fijne, dichte nerf. Het verpulverde Brazielhout werd gebruikt als kleurstof om textiel en bewerkt leer mee te verven. Ververs voegden de kleurstof toe aan een grote bak met water, stopten de textiel of het leer in het gekleurde water en na enkele dagen waren ze prachtig rood. Bij het verven leverde de verfstof verschillende soorten rood op, afhankelijk van het toegevoegde beitsmiddel. Helderrode kleuren werden verkregen door toevoeging van aluminium, roodbruin met ijzer, roze-rood met tin, roodpaars met kalium en bruingroen met koper.

Het raspen van hout als straf was geen lang leven beschoren. Na ruim twintig jaar stapte men over van houtraspen naar het maken van baal- en later zeildoek voor de Verenigde Oostindische Compagnie. Er was heel veel vraag naar baal- en zeildoek en de productie ervan leverde meer geld op dan de productie van geraspt hout.

In de tijd dat de gevangenen baaldoek en later zeildoek moesten vervaardigen kon het tuchthuis zichzelf financieel bedruipen, sterker nog, het tuchthuis leidde een bloeiend bestaan. Vanaf 1741 nam de vraag naar zeildoek af en begon een periode van verval. Er moest geld bij. Geldleningen boden enig soelaas, maar na verloop van tijd moest de stedelijke kas worden aangesproken. Opheffing van het tuchthuis was voor de stad de enige manier om daar onderuit te komen. Dat geschiedde uiteindelijk niet, maar in 1812 werden forse administratieve wijzigingen doorgevoerd. Het oude gebouw werd begin jaren zeventig van de 19de eeuw afgebroken en op dezelfde plaats verrees in 1874 een nieuwe gevangenis. Deze gevangenis, het latere Huis van Bewaring werd begin jaren negentig van de 20ste eeuw afgebroken. Op die plaats verrees in 1995 het nieuwe gerechtsgebouw.

Bookmark and Share

Reageer op dit artikel

Uw email adres wordt niet getoond
captcha
.
  • Ruud Smelt op 28 september 2011 om 13:16 uur
    Graag meer van dit soort artikelen. Ook van belang voor mensen die aan genealogie doen en daar tijdsbeelden bij willen vermelden en soms wanneer je geluk hebt komt de gezochte er ook nog in voor. Bedankt.
  • Lineke van den Bout, webcoordinator op 29 september 2011 om 09:23 uur
    Hartelijk dank voor het compliment! We doen ons best regelmatig een nieuw verhaal te plaatsen. Ik hoop dat de volgende voor u ook weer interessant zal zijn.
  • Romulo Fingal op 24 maart 2015 om 00:29 uur
    Leuk om nu om erachter te komen wat en hoe de bewerking ging met de brazielhouten die ze gekaapt hebben van Aruba Bonaire en Curacao in 1636 de west indische compagnie

Uit het archief